
Cursiefje van Raphaël Somers over hoe het voelt om te wachten op een donornier.
De waarheid was echter minder aangenaam… . De vernoemde ziekte vernietigt langzaam maar zeker, en dit meestal over een periode van 20 jaar, je nieren. Geen huisarts die het bemerkt, maar plots, héél onverwacht wordt de ziekte zéér agressief en in één à twee maanden wordt wat er nog aan nierwerking rest, erdoor gejaagd. Je wordt opeens driemaal per week gekluisterd aan een kunstnier en de enige hoop die je nog rest is dat je via ‘vrijwillig’ donorschap een nier getransplanteerd kan krijgen.
Op het eerste zicht schrikt dat je af. Diep van binnen worstel je met het ongemakkelijke gevoel dat er iemand moet overlijden om je te helpen en uiteraard wil je dat niet. Achteraf, en na wat discussies met de nefroloog, begin je daar wel enigszins anders over te denken. Die donor-in-spé overlijdt immers niet voor jou, hij/zij heeft immers geen besef van jouw bestaan. Dus leg je je bij de situatie neer en begin je onderdanig aan een lijdensweg waarvan je niet weet hoelang die gaat duren... Gedurende die onbekende periode wordt je driemaal per week aan de ‘kunstnier’ gekluisterd.
Die kunstnier, da’s iets apart. Hemodialyse heet dat in het medische vakjargon. Een machine die het bloed uit een operatief eenvoudig bereikbaar gemaakte ader opzuigt, nadien die levensnoodzakelijke vloeistof door verschillende tubes en chemische stoffen pompt zodat afvalstoffen verwijderd worden, om ze dan terug in de ader te spuiten. Vier uur lig je naast dat ding. Een machine in balkvorm met lichtjes en een scherm. Je ziet hoeveel bloed er weg- en terugvloeit, hoeveel het zuivert en (vooral) hoelang de behandeling nog duurt.
Het aanliggen (want je ligt naast die machine in een bed of een relaxzetel die je horizontaal kan plaatsen) is een ‘rustende’ kwelling.
Een kwelling omdat een vriendelijke verpleegster (of mannelijke collega) je met één of twee katheters, dat zijn afschrikwekkend grote naalden die men de lieflijke naam ‘mandrijn’ heeft gegeven, komt ‘prikken’ in het hierboven beschreven bloedvat; op zich zeker geen pijnloos gebeuren. Dan moet je afwachten of de naalden wel goed in de ader ‘zitten’, anders zuigt de machine die ader ‘plat’ zodat je hem voelt trillen in jouw lichaam.
Rustend, omdat je na het aankoppelen je, in een zacht liggende houding, voelt hoe het bloed, het leven, door plastic buisjes weg- en terug in jouw lichaam gepompt wordt. Je leest, je slaapt, je kijkt TV en hoopt dat die levenspomp niet van zijn oren begint te maken.
Want dat gebeurt, dat ding begint zich om de meest onnozele zaken op te winden. Te weinig bloed in de leidingen? Alarm. Te hoge bloeddruk? Alarm. Geen kaliumvocht meer? Alarm…. Soms heb je schrik om adem te halen, kwestie om die machine niet teveel te verontrusten. Ik ken mensen die van minder een neurose hebben ontwikkeld.
Want daar ligt het probleem. Je bent onderhorig aan een machine. Een onaardse ervaring. Je bent telkens opgelucht wanneer jouw lichaam ‘tubevrij’ is gemaakt. Want zo’n ‘bak’ kan niet denken en derhalve ook geen beslissingen nemen. De vernedering is groot… jouw geest, jouw vrijheid, jouw individueel wezen afhankelijk gemaakt van een ding dat op 220V werkt.
Maar er is geen alternatief. ‘You only live twice’ zei James Bond ooit. Door een transplantatie zal ik misschien een tweede kans krijgen. Laten we het hopen. Indien niet, is mijn besluit klaar. In dit geval vertrek ik na een kort gesprek met Ons Heer onmiddellijk naar Armageddon, want dit is geen leven.